Voorlezen: zo vroeg mogelijk beginnen, zo lang mogelijk doorgaan

Mira kiest elke avond een boekje uit de kast. Ze loopt er serieus langs, trekt er eentje uit, bekijkt de voorkant, zet hem terug, pakt een andere. Ze is vier. Ze kan nog niet lezen. Maar ze weet precies wat ze wil.

Dat is voorlezen. Niet een pedagogische techniek, niet een leesoefening — gewoon een kind dat een boek kiest en wil dat iemand het met haar deelt.


Begin zo vroeg als je wilt

Je kunt niet te vroeg beginnen met voorlezen. Echt niet.

Een baby in je buik reageert al op je stem. Een kindje van drie maanden begrijpt de woorden niet, maar hoort wel je stem. Voelt de ritme van taal. Raakt gewend aan de klank van verhalen.

Een peuter van twee begrijpt het verhaal misschien maar half, maar ziet de plaatjes, wijst aan, stelt vragen. Leert wat verhalen zijn. Dat dingen beginnen, een midden hebben en eindigen.

Wacht niet tot je kind “er klaar voor is”. Ze zijn er al voor klaar.


Stop niet als je kind zelf kan lezen

Dit is waar de meeste ouders de mist in gaan.

Zodra een kind zelf kan lezen — ergens rond het zevende of achtste jaar — stoppen de meeste ouders met voorlezen. Logisch, toch? Ze kunnen het nu zelf.

Maar dat is precies het verkeerde moment om te stoppen.

Want wat er dan wegvalt is niet de leesoefening — die gaat gewoon door. Wat er wegvalt is het gedeelde verhaal. De avond op de bank met The Hobbit terwijl Lena een kleurplaat maakt en Alex iets bouwt van Lego. De discussie aan tafel over wat Frodo nou eigenlijk voelde. Het moment waarop Vera een moeilijk woord tegenkomt en we er even bij stilstaan.

Dat zijn geen kleine momenten. Dat zijn de gesprekken waaraan kinderen later terugdenken.

Wij lezen voor aan alle kinderen — tien, negen, zeven en vier jaar. Tijdens het eten, op regenachtige zondagen, wanneer we rust kunnen gebruiken. Ze vinden het allemaal heerlijk. Roel en ik doen het allebei.

We zijn nu bezig met de Lord of the Rings serie. Daarvoor de The Hobbit. Al twee keer de Wilde Robot serie. Geen van die boeken is “voor kinderen” in de traditionele zin. Dat is precies waarom ze werken.


Levende boeken boven saaie boeken

Ik geef steeds meer de voorkeur aan wat Charlotte Mason “levende boeken” noemt: boeken met verhalen die ergens over gaan. Waar personages keuzes maken die je kunt bespreken. Waar de wereld groter wordt dan het eigen leven van het kind.

Mijn overtuiging: kinderen zijn serieuze, slimme wezens. We hoeven boeken niet dommer te maken voor ze. We hoeven verhalen niet te verpakken in suikerlaagjes.

Een kind van zes dat luistert naar The Hobbit begrijpt het niet woord voor woord — maar snapt de spanning, de loyaliteit, het gevaar, de moed. Dat zijn geen te moeilijke concepten. Die zijn juist precies goed.


Het boek zonder woorden

Voor Lena lazen we toen ze 2 was eindeloos vaak Waar is de Taart? voor — een prentenboek zonder woorden van Thé Tjong-Khing. Elke keer een ander verhaal. Elke keer verzin je iets nieuws bij de plaatjes.

Dat klinkt misschien als een peuter-ding. Maar juist dat soort boeken openen ook met oudere kinderen gesprekken die je niet verwacht. Wat denk jij dat er gebeurt? Waarom doet hij dat? Is dat eerlijk?

Ouders die zeggen dat ze niks kunnen verzinnen bij een boek zonder woorden, onderschatten zichzelf. En ze onderschatten hun kind.


Afwisseling houdt het leuk

Voor Mira wisselen we de boekjes in de kast regelmatig om — met de bibliotheek of uit eigen voorraad. Zij leest dezelfde boeken liever tien keer achter elkaar., maar neuwe boeken houden het voor ons als ouder ook spannend.

We lezen haar ook afwisselend voor in het Engels en Nederlands. Niet als taalles — gewoon omdat het kan, en omdat taal gewoon taal is.

Niet elk boek werkt overigens. Little House on the Prairie hebben we een paar keer geprobeerd. De kinderen vonden het niks. Opgeslagen. Geen drama. Niet elk boek past bij elk kind op elk moment.


Een kleine noot over oude kinderboeken

Jip en Janneke is prachtig. Maar als ik het voorlees, verander ik soms “vader” in “moeder” en andersom — want in die boekjes stofzuigt de moeder nog altijd en werkt de vader. Ik lees het voor zoals ik wil dat mijn kinderen de wereld zien, niet zoals die ooit was.

Kleine aanpassing. Groot verschil.


Praktisch

Wanneer: een vast moment werkt het beste. Bij ons voor het slapen voor Mira, en tussendoor voor de oudsten.
Wat: laat het kind kiezen als het kan. En kies zelf ook bewust — niet het makkelijkste boek, maar het boek waarvan jij denkt: dit heeft iets te zeggen.
Hoe lang: zo lang als het fijn is. Vijf minuten voor een kleuter, een hoofdstuk voor oudere kinderen, twee uur op een rustige zondag.
Stoppen: doe het niet te vroeg. Voorlezen stopt niet als een kind zelf kan lezen — het wordt dan anders, rijker, dieper.

Meer lezen:

Leesopvoeding: hoe maak je van je kind een lezer?
De beste e-reader voor kinderen
→ Luisterboeken voor kinderen: telt dat ook als lezen?


Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *