Mijn kinderen leren thuis (nog) geen Frans.
Dat is een bewuste keuze — maar geen principiële. Als ze Frans willen leren, leren ze Frans. Taal is prachtig. Meer talen spreken is bijna altijd winst.
Maar als ik nadenk over welke taal ik ze het liefst zou meegeven — naast Nederlands en Engels — dan is het niet Frans. Niet Duits. Niet Spaans.
Het is gebarentaal.
En ik begrijp niet waarom we daar in Nederland nooit serieus over na lijken te denken.
Op elke middelbare school: Frans, Duits, Spaans
In het Nederlandse onderwijs leren kinderen standaard minimaal één moderne vreemde taal naast Engels. Meestal Frans of Duits. Op sommige scholen ook Spaans of Chinees.
De redenering: het zijn nuttige talen. Je kunt er op vakantie mee. Je hebt er iets aan in je werk. Europa, internationalisering, economie.
Allemaal waar.
Maar hoeveel mensen gebruiken hun schoolFrans ooit echt? Hoeveel mensen kunnen na vier jaar Frans op de middelbare school een gesprek voeren?
En hoeveel mensen lopen in hun leven wél tegen situaties aan waarbij gebarentaal van pas zou komen?
Gebarentaal is niet alleen voor dove mensen
Dat is het grote misverstand. Gebarentaal wordt gezien als iets voor een kleine groep — mensen die doof zijn of een doof familielid hebben. Een niche. Niet relevant voor “gewone” mensen.
Maar dat klopt niet.
Gebarentaal is handig als het te luid is om te praten — op een festival, in een drukke sporthal, bij een wedstrijd.
Gebarentaal is handig als het juist te stil moet zijn — in een bibliotheek, in een kerk, als de baby eindelijk slaapt.
Gebarentaal is handig op afstand — door een raam, aan de andere kant van een zwembad, als je kind bij de zwemles zit en jij achter het glas staat.
Gebarentaal is handig als je iets geheims wilt zeggen — iets leuks aan je kind fluisteren zonder dat de rest het hoort, maar dan met je handen.
Gebarentaal vraagt volledige aanwezigheid. Je kunt niet half op je telefoon kijken en tegelijkertijd een gesprek in gebarentaal volgen. De aandacht is fysiek, direct, met écht oogcontact. In een tijd waarin we bijna vergeten zijn hoe dat voelt, is dat geen kleine bijkomstigheid.
Het is een volwaardige taal – geen hulpmiddel
NGT, de Nederlandse Gebarentaal, is geen vereenvoudigd Nederlands met handen. Het is een eigen, volwaardige taal met een eigen grammatica, een eigen syntaxis, een eigen woordenschat.
En het is een taal met schoonheid. Er bestaat gebarentaalpoëzie waarbij het ritme zit in de beweging van handen en lichaam. Verhalen die anders zijn dan gesproken verhalen — ruimtelijker, visueler, directer. Kunst die je alleen kunt maken in deze modaliteit.
Wie gebarentaal ziet als een verminking van gesproken taal, begrijpt het niet. Het is iets anders. Iets eigens. Iets waardevols.
En dan de mensen voor wie het geen keuze is
Er zijn in Nederland zo’n 25.000 dove mensen. En er worden elk jaar kinderen geboren bij horende ouders die niet wisten dat dit kon gebeuren. Die ouders krijgen te horen dat hun kind een cochleair implantaat kan krijgen — en dat het daarna “gewoon” kan horen en praten.
En dan kiezen sommige van die ouders ervoor om geen gebarentaal te leren. Want het kind kan toch praten?
Ik begrijp die keuze niet. En hij doet me pijn.
Niet omdat CI’s slecht zijn. Maar omdat een kind dat opgroeit zonder de taal van de dovengemeenschap iets mist. Een toegang. Een wereld. Een deel van zichzelf. Een stuk identiteit.
Horende ouders die gebarentaal leren voor hun dove kind, geven hun kind een geschenk dat geen technologie kan vervangen: de mogelijkheid om volledig begrepen te worden, ook als het implantaat uit gaat, ook als de batterij leeg is of er zand in is gekomen, ook als ze moe zijn en niet willen praten.
Waarom geven we dit niet gewoon aan alle kinderen?
Ik heb geen goed antwoord op die vraag. Alleen de vaststelling dat het raar is.
We vinden het normaal dat kinderen Frans leren, ook al gebruiken de meesten het nooit.
We vinden het raar als iemand voorstelt om gebarentaal te leren, ook al zijn er tientallen situaties in het dagelijks leven waarbij het van pas komt.
En ondertussen loopt er een generatie op die straks misschien samenwerkt, studeert of bevriend raakt met een dove persoon — en die geen woord gebarentaal kent.
Wat ik wil
Ik wil niet dat gebarentaal verplicht wordt. Ik ben niet van verplichten.
Maar ik wil wel dat ouders nadenken. Dat ze zichzelf de vraag stellen: waarom zou ik dit mijn kind (en mezelf!) niet meegeven?
Het is een taal. Een mooie, rijke, unieke taal. Die verbindt. Die aanwezig maakt. Die de wereld van dove mensen een klein beetje toegankelijker maakt voor iedereen die hem leert.
Dat lijkt me de moeite waard.
→ Terug naar het overzicht: gebarentaal voor iedereen
→ Gebarentaal: mijn fascinatie

