Prinsjesdag ging aan thuisonderwijs voorbij, en dat is het probleem

Op Prinsjesdag, 15 september, trok het kabinet ruim 368 miljoen euro extra uit voor het basis-, voortgezet en mbo-onderwijs. 206 euro per leerling voor lezen, schrijven en rekenen. Een nieuw curriculum met nieuwe kerndoelen. Geld voor het lerarentekort. 10,7 miljoen voor een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs. In de troonrede kwam onderwijs verder bijna niet voor, op één zin na over personeelstekorten in het mbo en hoger onderwijs.

Laten we die 206 euro even omrekenen voor we verder gaan. Een zzp-bijlesdocent (we nemen voor het gemak geen hoger-opgeleide-duurder-betaalde-IB’er) rekent in 2026 gemiddeld 47 euro per uur. 206 euro is dus, over een heel schooljaar, iets meer dan vier uur extra begeleiding per kind. Geen vier uur per maand. Vier uur per kind per jáár. Klinkt op een persconferentie prima, stelt op een leerlingniveau werkelijk geen drol voor om het functionele analfabetisme (39% van de 15-jarigen!) terug te dringen.

Thuisonderwijs kwam nergens voor. Niet positief, niet kritisch, gewoon niet.

En dat terwijl het kabinet wel degelijk over thuisonderwijs heeft nagedacht dit jaar. Staatssecretaris Judith Tielen (VVD) zei in mei 2026 in een uitzending van BOOS dat ze de vrijstelling wegens richtingsbezwaren het liefst helemaal wil afschaffen. Mocht dat niet lukken, dan wil ze onderzoeken hoe het toezicht op thuisonderwijs beter kan. Ze zei letterlijk: ze zou het liefst willen dat kinderen alleen bij bijvoorbeeld ziekte thuisonderwijs krijgen. Dat haalde de troonrede niet. Het haalde geen enkel persbericht op Prinsjesdag.

Wat er dit jaar wél veranderde, terwijl de wet stilstond

Dat is opvallend, want voor duizenden thuisonderwijsgezinnen was 2026 een van de meest ingrijpende jaren sinds lange tijd. Niet omdat de wet veranderde: artikel 5 onder b van de Leerplichtwet staat er nog precies zo als altijd. Maar de manier waarop men denkt dat het artikel moet worden toegepast, veranderde ingrijpend.

Op 21 april 2026 scherpte de Hoge Raad het toetsingskader* voor vrijstelling wegens richtingsbezwaren fors aan. Kort gezegd: als er een openbare school binnen de wettelijke afstandsnorm ligt, kan een beroep op artikel 5 onder b nog nauwelijks slagen. Dat geldt niet alleen voor gezinnen die voor het eerst een beroep doen, maar ook voor gezinnen die al jarenlang een vrijstelling hadden.

Vervolgens ging het snel. Het Openbaar Ministerie, dat in maart 2025 nog was gestopt met strafrechtelijke vervolging op grond van dit artikel, kondigde aan die vervolging te hervatten. VNG en Ingrado stuurden gemeenten een handreiking met de strekking: bij een openbare school in de buurt ligt honorering van een beroep niet voor de hand. En staatssecretaris Tielen zei publiekelijk dat ze de vrijstelling het liefst afschaft.

Een rechtbank in Overijssel bevestigde begin dit jaar zelfs dat een kind wegens langdurig schoolverzuim in een gemeentelijk veiligheidskader kon worden geplaatst, met de bijbehorende registratie van persoonsgegevens. Denk daar even over na: een kind wordt geregistreerd in een veiligheidskader omdat het thuisonderwijs krijgt, iets wat de wet expliciet toestaat.

*Let wel: het toetsingskader is aangescherpt. Dat betekent niet dat -elk beroep op vrijstelling- ineens anders getoetst moet worden: de wet is immers niet gewijzigd. Het toetsingkader is er voor de rechters, waarbij mensen verschijnen die een proces verbaal hebben gekregen omdat er (mogelijk) iets niet klopt met hun beroep op vrijstelling. Helaas gaan wethouders en politiek lekker aan de haal met dit toetsingskader en lijkt de wet ondergeschikt…

De bredere context: wie bepaalt wat mag?

Dit past in een patroon dat ik al langer zie. De vraag is niet of thuisonderwijs mag, de vraag is wie er over gaat. Wie mag bepalen of jouw levensovertuiging goed genoeg is om een vrijstelling te krijgen? Een gemeenteambtenaar? Een schoolbestuur? De Hoge Raad?

De wet zelf zegt: ouders mogen zich beroepen op richtingsbezwaren. Punt. Er staat niet bij dat ze eerst langs een schoolbestuur moeten, of dat hun overtuiging door een ambtenaar moet worden getoetst aan een lijstje toegestane richtingen. Maar in de praktijk gebeurt dat wel. Gemeenten behandelen het beroep steeds vaker als een aanvraag die beoordeeld moet worden, in plaats van een recht dat je inroept. En die praktijk is dit jaar drastisch verscherpt, zonder dat daar een duidelijk Kamerdebat, een wetswijziging of een publieke discussie aan te pas is gekomen.

Dat is precies waarom ik er ook over schreef waarom ik de naam van mijn levensovertuiging nooit zal noemen. Want zodra je het benoemt, geef je iemand de macht om te beoordelen of het “echt” genoeg is. En die beoordeling lijkt dit jaar flink strenger geworden met betrekking tot openbare scholen.

Waarom ik dit vergelijk met de toeslagenaffaire

Ik noem dit weleens de toeslagenaffaire 2.0, en ik doe dat niet lichtzinnig. Bij de toeslagenaffaire stonden ouders in hun recht, en kregen ze dat recht niet, omdat de uitvoering strenger en verdachtmakender werd dan de wet zelf ooit voorschreef. Hier zie ik hetzelfde patroon: de wet is niet gewijzigd, maar via jurisprudentie, vervolgingsbeleid en gemeentelijke uitvoeringspraktijk verandert de facto de rechtspositie van duizenden gezinnen, zonder dat daar een democratisch debat aan te pas is gekomen. Laat staan een wetswijziging.

Gezinnen die vorig jaar nog probleemloos een vrijstelling kregen, krijgen dit jaar te maken met afwijzing, strafrechtelijke dreiging, of zelfs registratie in een veiligheidskader, terwijl zij niets anders doen dan wat de wet hen al jaren toestond en nog steeds toestaat. Dat zou een politiek onderwerp van de eerste orde moeten zijn. In plaats daarvan komt het in de troonrede en de onderwijsbegroting helemaal niet voor.

De parallel is ook hierin te zien: bij de toeslagenaffaire was het de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst die het recht uitholde, niet de wet zelf. Hier is het de combinatie van een Hoge Raad-uitspraak, een hervatte vervolgingsbereidheid van het OM, en gemeentelijke handreikingen via Ingrado die hetzelfde effect hebben. De wet staat er nog. Onveranderd. Maar recht hebben en recht krijgen, blijken ook hier niet hetzelfde.

Wat de media doen (en niet doen)

De berichtgeving over thuisonderwijs is dit jaar opvallend eenzijdig geweest. Toen ik in mei te gast was bij NPO Radio 1 voor een gesprek over de wetswijziging, was dat een van de weinige momenten dat er in de mainstream media ruimte was voor de stem van thuisonderwijsouders. In hetzelfde gesprek zat Corine van Starkenburg van Ingrado, die in dat gesprek zei dat ouders vrijstelling moeten “aanvragen”. Dat is precies het verkeerde woord: je doet geen aanvraag, je beroept je op een recht. Dat taalgebruik is geen vergissing: het verschuift bewust het frame van een recht naar een gunst.

Buiten dat ene radio-interview bleef de discussie goeddeels beperkt tot vakkringen en social media en lokale kranten. Geen uitputtend Kamerdebat. Geen groot opiniestuk in de Volkskrant of NRC. Geen item bij Nieuwsuur. En op Prinsjesdag: stilte.

Wat ik hier niet doe

Ik ga hier niet in op onze eigen situatie of gemeente, dat bewaar ik voor het moment dat onze eigen procedure is afgerond. Wie de juridische kant van de Hoge Raad-uitspraak zelf wil doorgronden, verwijs ik naar het eerste deel van mijn driedelige serie hierover, Hoge Raad over thuisonderwijs: wat betekent dit voor jou? En voor wie wil weten hoe toezicht op thuisonderwijs in Nederland eigenlijk werkt: ook daar schreef ik al over.

Wat ik hier wel wil zeggen: een verandering van deze omvang, die ingrijpt in het leven van duizenden gezinnen, verdient een plek in het politieke debat over onderwijsgeld. Niet stilzwijgen.

Het College voor de Rechten van de Mens riep deze Prinsjesdag de regering en Tweede Kamer op om alert te zijn op de invloed die financiële keuzes hebben op de meest kwetsbare mensen. Thuisonderwijsgezinnen zijn niet per definitie kwetsbaar, maar gezinnen die hun wettelijke recht ontnomen wordt, wel. En die groep groeit.


Vind jij ook dat dit meer aandacht verdient in de politiek? Ik hoor het graag in de reacties.

Wil je niets missen van deze reeks? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Veelgestelde vragen

Is artikel 5 onder b van de Leerplichtwet dit jaar veranderd?

Nee, de wettekst zelf is niet gewijzigd. Wat wel veranderde is de toepassing ervan, via een uitspraak van de Hoge Raad op 21 april 2026, hervatte strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie, strengere gemeentelijke uitvoeringspraktijk, en de aankondiging van staatssecretaris Tielen dat ze de vrijstelling het liefst wil afschaffen.

Wat hield de uitspraak van de Hoge Raad van 21 april 2026 in?

De Hoge Raad scherpte het toetsingskader voor vrijstelling wegens richtingsbezwaren aan: als er een openbare school binnen de wettelijke afstandsnorm beschikbaar is, kan een beroep op deze vrijstelling nog nauwelijks slagen, ook voor gezinnen die al langer een vrijstelling hadden.

Kunnen ouders die thuisonderwijs geven strafrechtelijk vervolgd worden?

Het Openbaar Ministerie was daar in maart 2025 mee gestopt, maar heeft aangekondigd de vervolging op grond van artikel 5 onder b te hervatten nu de Hoge Raad een duidelijker toetsingskader heeft gegeven.

Waarom noemt Iris dit de toeslagenaffaire 2.0?

Omdat gezinnen die volgens de letter van de wet in hun recht staan, in de praktijk dat recht niet krijgen doordat de uitvoering strenger is geworden dan de wet zelf voorschrijft, zonder dat daar een democratisch besluit aan ten grondslag ligt. De parallel: bij de toeslagenaffaire was het de Belastingdienst, hier is het de combinatie van Hoge Raad, OM en gemeenten.

Hoeveel geld trekt het kabinet extra uit voor het onderwijs?

Ruim 368 miljoen euro voor basis-, voortgezet en mbo-onderwijs, waarvan 206 euro per leerling voor basisvaardigheden. Daarnaast 10,7 miljoen voor een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs. Thuisonderwijs krijgt geen aparte vermelding in de begroting.


Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *