Signalen al vóór de geboorte: harde buiken op geluid

Toen Vera nog in mijn buik zat, reageerde ze heftig op harde geluiden. Niet met een schopje. Met een harde buik, telkens weer, zo duidelijk dat ik het niet kon wegwuiven als toeval.

De meeste mensen denken dat je hoogbegaafdheid pas ziet als een kind begint te praten of ineens met drie jaar zit te lezen. Bij ons begon het bij dít. Nog voor de geboorte.

De kraamverzorgster op dag drie

Toen Vera drie dagen oud was en verschoond werd, greep ze de hydrofiele doek vast. Twee kleine handjes, stevig eromheen geklemd, en ze keek om zich heen alsof ze honderd was in plaats van een paar dagen. De kraamverzorgster stopte even. “Wat kijkt ze alert,” zei ze. “Dat is niet normaal voor deze leeftijd.”

Dat was de eerste keer dat iemand het hardop zei. En ze zou niet de laatste zijn. Bij elk kind, bij elke kraamverzorgster, elke grootouder, elke lieve vriendin die langskwam dezelfde soort opmerking: wat staan ze aan. Wat zijn ze helder. Wat kijken ze bewust.

Ik wist toen nog niet dat dit al een signaal was. Ik dacht: we hebben alerte baby’s. Mooi toch?

Drie uur slaap per nacht, jarenlang

Het slapen was vanaf het begin mis. En stopte niet meer tot de jongste ongeveer 3 werd.

We hebben met drie van de vier kinderen jarenlang elk uur opgezeten. Elke 45 minuten wakker om te voeden. Uren heen en weer wandelen door de woonkamer, ’s nachts, terwijl de rest van de wereld sliep. Altijd, altijd, altijd moe. Dat we toen niet gillend gek, gescheiden of super chagrijnig zijn geworden, is een wonder.

Vanaf Vera’s geboorte tot Mira drie was, hebben we geen enkele nacht meer dan drie uur achter elkaar geslapen. Niet één.

Ik heb elk boek gelezen, elk forum afgestruind, elke tip van elke goedbedoelende tante geprobeerd. We zijn bij osteopaten, homeopaten, huisartsen, orthomoleculair artsen, kinderartsen en vast nog andere hulpverleners geweest. We hebben lavendeldruppels, andere slaapzakken, zoutlampjes, bedjes op andere plekken, samen slapen of juist niet, muziekjes aan of juist totale stilte, lampjes aan of juist compleet donker, alle mogelijke combinatie van alle mogelijke tips uitgeprobeerd.

Niets werkte. Op mijn slechtste nachten, in de woonkamer met een huilende baby in mijn armen, eindeloos ijsberend, dacht ik dat er iets mis was met haar. Of in ieder geval dat ik hard faalde als moeder. Meestal allebei tegelijk.

Wat ik toen niet wist: een slaapprobleem dat niet reageert op de standaardadviezen is zélf een signaal. Niet iets om koste wat kost op te lossen volgens het boekje, maar iets om serieus te nemen als onderdeel van wie je kind is. En als onderdeel van wat je kind blijkbaar nodig heeft.

Er is onderzoek dat slaapproblemen bij hoogbegaafde kinderen koppelt aan stress door onderwijs dat niet aansluit, vooral bij oudere kinderen op school. Dat is niet precies wat wij zagen bij Vera, nog voor er van school of onderwijs sprake was. Mijn eigen verklaring, gebaseerd op de overexcitabilities-theorie van Dabrowski, is dat de intensiteit waarmee sommige kinderen prikkels binnenkrijgen al vanaf (voor!) de geboorte aanwezig is, en zich dus ook al vanaf de geboorte kan uiten in beroerde slaap. Bewezen is dat niet. Het is een hypothese die bij ons klopte, geen wetenschappelijk feit voor zover ik kan vinden.

Maar het verklaarde wel waarom geen enkele tip, uit geen enkel boekje werkte.

Hoe zeldzaam is dit eigenlijk?

Hoogbegaafdheid wordt in Nederland gedefinieerd als een IQ van 130 of hoger. Dat geldt voor ongeveer 2 tot 2,5 procent van de bevolking. In een gemiddelde schoolklas van dertig kinderen zit daardoor meestal geen enkel hoogbegaafd kind, of hooguit één.

Daarbinnen bestaat nog een veel kleinere groep: kinderen met een IQ boven de 145. Dat is ongeveer 1 op de 1000. In de vakliteratuur wordt deze groep vaak “hyperhoogbegaafd” genoemd. Onderzoeker Miraca Gross wijst erop dat het label “uitzonderlijk begaafd”, dat je in de volksmond veel hoort, eigenlijk maar een deel van dit bredere spectrum dekt.

Twee procent, of één op de duizend. Dat zijn geen aantallen waar “gewoon een beetje pienter” mee bedoeld wordt.

Hooggevoeligheid en hoogbegaafdheid: geen toeval

Bij Vera was de hooggevoeligheid veel eerder duidelijk dan de hoogbegaafdheid. Dat die twee zo vaak samen optrekken, is niet alleen mijn observatie.

De Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski ontwikkelde de theorie van “overexcitabilities“: verhoogde gevoeligheden op vijf gebieden, namelijk psychomotorisch, zintuiglijk, intellectueel, verbeeldend en emotioneel. Een meta-analyse van Daniel Winkler uit 2016 liet zien dat hoogbegaafde mensen gemiddeld hoger scoren op alle vijf, behalve de psychomotorische.

Bij Vera waren vooral de zintuiglijke en emotionele overduidelijk: fel reageren op naadjes of labeltjes in kleding, de slaapproblemen, de noodzaak van een strak ritme waarbij vijf minuten slaap in de auto al genoeg was om drie nachten te verpesten. Ze leek dingen te begrijpen ver voor ze het kon benoemen. Je zag het aan de manier waarop ze naar je keek als je iets uitlegde, alsof ze meer binnenkreeg dan je dacht.

Dat is iets anders, of alomvattender, dan hooggevoeligheid zoals psycholoog Elaine Aron die beschrijft: een zenuwstelsel dat sneller overbelast raakt door prikkels van buitenaf. Overexcitabilities zijn breder: ook de eigen gedachten, emoties en fantasie spelen voortdurend een rol, van binnenuit. Er is overlap tussen beide termen, maar geen volledige overlap.

Mira: een ander patroon, net zo vroeg

Bij Mira zag het er anders uit, maar het begon net zo vroeg.

In week twee lachte ze naar me. Niet de reflexlach die je bij baby’s vaker ziet, maar een bewust, gericht lachje. De eerste keren geloofde ik het niet. Maar het was zó duidelijk, zó aanwezig. Ze zag me. Echt.

Rond haar eerste verjaardag kende ze zo’n tweehonderd gebaren en gebruikte ze die ook echt om ons iets duidelijk te maken. Haar allereerste gebaar was niet TREIN of POES, zoals bij de andere kinderen. Het was MAMA. Leuk dat dat bij het laatste kindje toch nog kon 😉

“Jeetje, wat zijn ze slim”

Het moment dat ik dacht “misschien is ze hoogbegaafd” was niet één moment. Het was een langzaam besef, opgebouwd uit tientallen kleine momenten bij elk kind.

Vera, anderhalf jaar oud, wijst naar een roze vogel in een boekje. Oma zegt: “Wat een mooie roze vogel hè?” Vera kijkt haar aan: “Nee oma, dat is een flamingo.”

Een van de kinderen gebruikt het woord “hefboomeffect” in een volledige, kloppende zin. Ze was net drie.

Het zijn de verbanden die ze zien. Tussen woorden, tussen mensen, tussen gebeurtenissen die voor anderen los van elkaar staan. Het is niet “ze leren snel”, het is “ze zien dingen die ik zelf niet eens zag.”

De IQ-test: bevestiging, geen bewijs

We hebben op een gegeven moment een officiële IQ-test laten afnemen bij Vera. Niet voor elk gezin vanzelfsprekend toegankelijk of betaalbaar, en dat ben ik me bewust. We wilden vooral weten hoe we haar beter konden helpen: of er wellicht discrepanties zaten tussen scores op bepaalde gebieden, of dat er misschien óók andere zaken speelden.

Die uitslag gaf ons betere taal voor wat we allang voelden. Het gaf ons vooral woorden en duidelijkheid om aan Vera te kunnen vertellen waar haar gevoelens van “niemand begrijpt mij”, “mijn hoofd werkt gewoon anders”, “waarom kunnen andere kinderen wel tegen al die drukte en zit mijn emmer zo snel vol” (mogelijk) vandaan kwamen. En om haar, via psycho-educatie en peer-contact, te laten weten dat ze perfect is zoals ze is, inclusief haar anders werkende hoofdje.

Ik wil een IQ-test overigens niet neerzetten als het laatste woord of als heilige graal, want dat is zo’n test niet. Een IQ-test meet specifieke cognitieve vaardigheden: patronen herkennen, snel redeneren, werkgeheugen. Creativiteit, doorzettingsvermogen en sociale vaardigheden meet zo’n test niet. En juist hoogbegaafde en creatieve kinderen presteren soms onder hun niveau in testsituaties, door de tijdsdruk, strikte instructies en weinig ruimte voor een andere manier van denken. Schattingen van hoe vaak dit gebeurt lopen uiteen van 15 tot 50 procent.

Een IQ-score is een gestandaardiseerde momentopname van één test, op één dag. Wij gebruiken de uitslag als bevestiging van wat we al zagen, niet als bewijs dat pas telt zodra het op papier staat. Voor de andere kinderen hebben we dan ook (nog) geen testen afgenomen: zij lopen niet tegen zichzelf aan en ogen gelukkig met hun prachtige innerlijk en uiterlijk.

Samenvatting van de signalen

De signalen die wij merkten bij onze kinderen, al vanaf heel vroeg, waren vooral de hoge alertheid, die eigenlijk meteen ook door buren, vrienden, familie en anderen benoemd werd. Zo’n scherp kindje koekeloerend vanuit de draagdoek valt gewoon op! Daarnaast is de korte slaapbehoefte ook een duidelijk kenmerk van (uitzonderlijk) hoogbegaafde kinderen, net als een grote beweeglijkheid en de prikkelgevoeligheid.

Wat een lastiger te duiden gegeven is, is de snelheid waarmee ze mijlpalen behalen: soms zijn ze heel vlot, die hoogbegaafde kinderen, soms slaan ze stappen over (oefenen met langs de bank stappen voordat ze lopen, oefenen met zindelijkheid voor de luiers aan de wilgen kunnen), soms gaat het juist langzaam. Bij onze kinderen viel het op dat ze weinig “oefenen”: ze lijken iets “ineens” te kunnen. Lang kat uit de boom en dan ineens een mijlpaal!

Waarom ik dit schrijf

Ik weet hoe lang je kunt zoeken naar verklaringen als je zelf zulke signalen ziet en niemand je vertelt dat het ergens op kan wijzen. Al helemaal niet met cijfers of onderzoek erbij.

De meeste informatie over hoogbegaafdheid gaat over schoolprestaties. Bij ons begonnen de signalen niet bij taal of rekenen. Ze begonnen bij hoe een kind de wereld binnenkrijgt, soms al voordat het geboren is.

Hoe dat verschil tussen overprikkeling en verveling er bij ons in de praktijk uitziet, schrijf ik binnenkort verder over.

Zie je signalen die niet passen in de standaardboekjes? Neem ze serieus. Ook als je kind nog geen dag naar school is geweest. Hoogbegaafdheid zorgt in het Nederlandse schoolsysteem namelijk vaak voor uitval. Veel van de circa 70.000 thuiszitters zijn (vermoedelijk) hoogbegaafd: passend onderwijs is voor hen niet altijd evident. Vermoed jij dat je kind hoogbegaafd is, neem dan thuisonderwijs zeker mee in je schoolkeuze-overweging. Het mag de reden uiteraard niet zijn, dat mag alleen je levensovertuiging zijn, maar wellicht kan het meewegen in je beslissing.

Geboorteverhaal Vera
Gebaren met baby’s: wat het geeft en hoe je begint

Veelgestelde vragen

Wat zijn vroege signalen van hoogbegaafdheid bij baby’s?

Extreme alertheid vanaf de geboorte, sterke reacties op prikkels zoals geluid of textuur, slaapproblemen die niet reageren op standaardadviezen, en snel lijken te begrijpen wat er om hen heen gebeurt, nog voor ze het kunnen benoemen. Deze signalen zijn vaak al zichtbaar ruim voor een kind begint te praten of te lezen.

Hoe vaak komen hooggevoeligheid en hoogbegaafdheid samen voor?

Onderzoek naar Dabrowski’s overexcitabilities-theorie laat zien dat hoogbegaafde mensen gemiddeld hoger scoren op bijna alle vormen van verhoogde gevoeligheid, waaronder zintuiglijke en emotionele gevoeligheid. De twee kunnen los van elkaar voorkomen, maar trekken bij veel kinderen sterk samen op.

Is een IQ-test noodzakelijk om hoogbegaafdheid vast te stellen?

Nee. Een IQ-test kan bevestigen wat je al vermoedt, maar meet niet alles wat bij hoogbegaafdheid hoort, zoals creativiteit of doorzettingsvermogen. Bovendien presteren juist hoogbegaafde kinderen soms onder hun niveau in een testsituatie. De signalen die je zelf ziet, tellen minstens zo zwaar mee.

Hoeveel procent van de kinderen is hoogbegaafd?

Ongeveer 2 tot 2,5 procent heeft een IQ van 130 of hoger. Binnen die groep zit een veel kleinere groep, ongeveer 1 op de 1000, met een IQ boven de 145, in de vakliteratuur vaak “hyperhoogbegaafd” of uitzonderlijk hoogbegaafd genoemd.

Bronnen

Wil je niets missen van deze reeks? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *