Klassengrootte in Nederland: wat het onderzoek echt zegt

Vorige maand, bij de scouting van Vera. Ik sta te wachten tot de groep binnenkomt en tel automatisch mee: eenentwintig kinderen, één leidinglid. Ik denk: dit vinden we al te veel voor een ochtend in de week. Gelukkig komt er meer leiding binnen lopen. Maar dan besef ik dat dit ongeveer is wat een gewone schoolklas elke dag, de hele dag, moet doen. Met minder vrijwillige aanmelding, minder tijd buiten en veel meer verplicht zitten en concentreren.

Dat beeld liet me niet meer los. Ik was benieuwd naar hoe het nu zit in Nederland voor schoolgaande kinderen en ging op digitaal onderzoek uit.

Hoe groot is een Nederlandse klas eigenlijk?

De gemiddelde klas in het Nederlandse basisonderwijs telt 23 leerlingen, en daarmee zit Nederland boven het Europees gemiddelde. Bijna 4 op de 10 kinderen zit zelfs in een klas van meer dan 25. Er bestaat, opvallend genoeg, geen wettelijk maximum. In 2024 diende Tweede Kamerlid Soepboer daar nog een motie voor in, juist omdat dat maximum simpelweg ontbreekt.

Bij ons, met vier kinderen aan de keukentafel, kan ik in die twee uur schoolse vaardigheden bij elk kind meekijken. En zelfs dan lukt het niet altijd om de aandacht goed te verdelen. Maar in een klas van dertig, wordt het een bijna onmogelijke opgave, waar de leerkracht die aandacht letterlijk moet delen door dertig.

Ik was benieuwd of mijn gevoel klopte, dat minder kinderen per volwassene écht verschil maakt. Dus ik ging zoeken.

Wat het bekendste onderzoek laat zien

Het meest aangehaalde onderzoek is het Amerikaanse STAR-project uit Tennessee, eind jaren tachtig. Ruim 11.600 leerlingen werden willekeurig verdeeld over kleine klassen (13 tot 17 leerlingen) en klassen van normale grootte (22 tot 25). De kinderen in de kleine klassen scoorden beter, en dat verschil was jaren later nog meetbaar.

Dat is niet één opvallende uitkomst die nooit meer is gecheckt. Een Zweeds onderzoek onder klassen van maximaal zeven kinderen vond na drie jaar meer vooruitgang in rekenen én in niet-cognitieve vaardigheden. Het Nederlandse Centraal Planbureau concludeerde dat klassenverkleining naar maximaal 21 leerlingen in het basisonderwijs duur is, maar wel degelijk effectief, met baten die lang blijven doorwerken.

Niet elk onderzoek vindt precies hetzelfde effect (er is bijvoorbeeld methodologische kritiek op STAR, en een Britse studie vond geen duidelijk verband), maar de meerderheid van de studies wijst dezelfde kant op: kleiner is beter, vooral voor jonge kinderen.

Eén op één versus in een groep

Als ik met één van de kinderen alleen aan een rekenopgave werk, zie ik binnen een paar seconden of ze het snappen of niet. Ik kan meteen bijsturen, of juist een stap overslaan omdat ze het al doorhebben. Zet een kind in een groepje van vijf, zoals soms bij een thuisonderwijsactiviteit gebeurt, en diezelfde opgave duurt drie keer zo lang, simpelweg omdat er om de beurt uitleg nodig is. Of omdat je opgaven moet doen die te simpel voor je zijn, of veel te ingewikkeld.

Vermenigvuldig dat verschil met dertig, en je snapt waarom een leerkracht, hoe goed ook, nooit dezelfde begeleiding kan bieden als wat er bij ons aan de keukentafel gebeurt. Die juf moet uitleggen op een niveau wat zoveel mogelijk van de dertig kinderen snappen. Moet herhalen zodat de achterblijvers het óók snappen. Kán niet alle vragen beantwoorden, want de klok tikt door voor het volgende vak.

Wat de toetsscores niet meten

De meeste onderzoeken kijken alleen naar taal- en rekenscores. Rust, individuele aandacht, motivatie, ruimte voor verdieping: dat wordt zelden meegenomen, terwijl het minstens zo bepalend is.

Bij ons betekent dat: als Lena een hele ochtend aan één tekening wil werken, kan dat gewoon. Niemand zegt “we moeten door naar het volgende onderdeel.” Als Vera een onderwerp nog niet loslaat nadat de rekentijd eigenlijk voorbij is, gaan we door, want er is geen bel die om kwart voor elf afdwingt dat we naar geschiedenis moeten. Die ruimte om te vertragen of juist te versnellen is precies wat in geen enkele toetsscore terugkomt, en precies wat het verschil maakt tussen een kind dat aangehaakt blijft en een kind dat mentaal afhaakt. En een kind dat mentaal afhaakt en een zesje haalt op de basisschool, haalt niet hetzelfde uit zichzelf als een kind dat in rust, met individuele aandacht, echt de ruimte krijgt voor verdieping.

Waarom ik dit hardop zeg

Dit is precies waarom ik geen dertig op één wil voor mijn kinderen. Niet als vaag onderbuikgevoel, maar omdat het onderzoek en wat ik dagelijks zie hetzelfde vertellen: minder kinderen per volwassene betekent meer ruimte om echt aan te sluiten bij wat een kind op dat moment nodig heeft.

Dertig kinderen van dezelfde leeftijd uit hetzelfde postcodegebied in één lokaal met één juf is geen natuurlijke leer-situatie. Het is een financiële keuze die decennia geleden is gemaakt, en die ouders sindsdien nauwelijks meer ter discussie stellen.

Twijfel je zelf tussen school en thuisonderwijs voor je baby of peuter? Lees ook Thuisonderwijs of school? Zo maak je een bewuste keuze of bekijk de schoolkeuze-vergelijkingen.


Hoe weet je of de klas van je kind te groot is? Ik hoor het graag in de reacties.

Veelgestelde vragen

Wat is de gemiddelde klassengrootte in het Nederlandse basisonderwijs?

Ongeveer 23 leerlingen per klas, wat boven het Europees gemiddelde ligt. Bijna 4 op de 10 kinderen zit zelfs in een klas van meer dan 25 leerlingen, en er is geen wettelijk maximum.

Wat zegt onderzoek over het effect van kleinere klassen?

Het bekendste onderzoek is het Amerikaanse STAR-project, waarbij ruim 11.600 leerlingen willekeurig werden verdeeld over kleine en normale klassen. Kinderen in kleinere klassen scoorden beter, en dat verschil bleef jaren later meetbaar. Een Zweeds onderzoek en het Nederlandse CPB bevestigen vergelijkbare effecten, vooral bij jonge kinderen.

Is het bewijs voor het effect van klassengrootte eensgezind?

Niet volledig. Er is methodologische kritiek op het STAR-onderzoek en een enkele studie vond geen duidelijk effect. De meerderheid van de studies wijst wel dezelfde kant op, al is het effect in het voortgezet onderwijs vooral aangetoond bij leerlingen met een achterstand.

Waarom is klassengrootte relevant voor de keuze voor thuisonderwijs?

Bij thuisonderwijs is de verhouding nooit dertig op één. Dat betekent meer ruimte voor rust, individuele aandacht en het tempo van een specifiek kind, factoren die in onderzoek naar toetsscores vaak buiten beeld blijven maar wel degelijk het verschil maken.

Bronnen

Nieuwsbrief

Wil je niets missen van deze reeks? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *